Ik draaide me om, rennend tegen de stroom reizigers in, mijn koffer achterlatend. Nog geen uur later zat ik in een taxi terug naar huis, mijn gedachten een warboel. Isla, mijn kleine meisje, mijn hele wereld — bij een vreemde vrouw die ik nauwelijks kende.
Toen ik de straat inreed, viel het me meteen op: de gordijnen waren dicht. Delphine deed dat nooit.
Ik parkeerde scheef, rende naar de voordeur en greep de klink. Op slot.
“Delphine!” riep ik. Geen antwoord.
Ik haalde de reservesleutel tevoorschijn en duwde de deur open.
De woonkamer rook anders — muf, alsof iemand kaarsen had laten branden. Op tafel stonden kopjes thee, nog halfvol. Twee kopjes. Eén klein, met roze randjes. Isla’s.
“Isla?” fluisterde ik, terwijl ik langzaam naar boven liep.
De deur van de logeerkamer stond op een kier. Een zachte stem klonk vanbinnen.
“Kom maar, lieverd, nog één keer proberen.”
Ik duwde de deur open. De kamer was verduisterd, op één kaars na. Delphine zat op de grond, Isla voor zich, met een fotoalbum open.
Toen ze me zag, glimlachte ze — diezelfde rustige, beleefde glimlach die ik zo vertrouwd was gaan vinden.
“Ah, Eloise. Je bent vroeg terug.”
“Wat doe je?” vroeg ik, mijn stem schor.
“Herinneringen,” zei ze kalm. “Isla helpt me iemand terug te vinden.”
Ik keek naar het album. De foto’s waren oud, vergeeld. Op een ervan herkende ik… mezelf. Of tenminste, iemand die sprekend op mij leek.
“Wat is dit?” fluisterde ik.
“Mijn dochter,” zei Delphine zacht. “Ze verdween dertig jaar geleden. Net zo oud als jouw Isla toen ze wegging.”
Mijn adem stokte…….
