Die nacht, toen iedereen sliep, ging ik bij het raam zitten. Ik staarde naar de woning aan de overkant. Het huis was donker, stil, bijna onbewoond. Ik wist niet wie er woonde — ik had nooit de kans gehad de nieuwe buren te ontmoeten. Er was niets te zien. Geen licht, geen beweging.
Maar de volgende ochtend gebeurde het.
Ik was de hond aan het uitlaten. Het was vroeg, de straat was nog rustig. Terwijl we langs het huis aan de overkant liepen, werd mijn aandacht er automatisch naartoe getrokken. Ik wilde gewoon even kijken, om mijn eigen gedachten gerust te stellen.
En toen zag ik het.
Achter het raam bewoog een silhouet. Een kleine jongen.
Mijn adem stokte in mijn keel. Hij leek zo sterk op Lucas dat mijn hart begon te bonzen. Het kon niet — maar het beeld was zó helder.
Voordat ik het besefte, liep ik het tuinpad op. Mijn handen trilden toen ik aanklopte. Misschien was het licht, misschien was het de spanning, maar ik was er bijna zeker van dat ik hem gezien had.
De deur ging open.
En daar stond hij.
Een jongen, ongeveer dezelfde leeftijd als Lucas, met dezelfde ogen, dezelfde kaaklijn, dezelfde zachte krul in zijn haar. Mijn hart sloeg een slag over.
“Lucas…?” fluisterde ik.
De jongen keek me verbaasd aan. Achter hem verscheen een vrouw van in de dertig. Ze legde haar hand beschermend op zijn schouder…..