“Rijden we wel goed, Peter?” vroeg ik.
Hij keek even opzij, glimlachte zwak. “Ja, pap. Maak je geen zorgen. We moeten alleen even langs 7-Eleven, ik wil iets drinken halen.”
Ik knikte. “Goed idee. Koop voor mij ook een zakje chips, als je wilt.”
Ik haalde de papieren tevoorschijn en begon de tekst hardop te lezen. Er stond iets over de activiteiten: tuinieren, muziekavonden, schilderen. Het klonk vredig. Ik stelde me voor dat ik daar zou zitten, met een boek in de hand, terwijl de zon mijn schouders verwarmde.
Plots merkte ik dat de auto was gestopt.
Ik keek niet meteen op — ik dacht dat we bij de winkel waren.
Afwezig zei ik: “Neem ook een flesje water mee.”
Er kwam geen antwoord.
Toen hoorde ik hem zacht zeggen: “We zijn niet bij 7-Eleven, pap.”
Ik keek op.
De auto stond op een heuvel, met uitzicht over een groot stuk grond. En daar — tot mijn verbazing — stond een huis. Niet zomaar een huis, maar… mijn huis.
Ik verstijfde. “Wat… wat is dit?”
Peter stapte uit, liep om de auto heen en opende mijn deur.
“Kom mee, pap. Kijk goed.”
Ik stapte langzaam uit, mijn hart bonsde. Waar ooit zwartgeblakerde resten hadden gelegen, stond nu een gloednieuw huis. Hetzelfde model, dezelfde veranda, dezelfde tuin — zelfs de oude vijgenboom stond er weer, opnieuw geplant.
Ik kon niets zeggen. Alleen het geluid van de wind vulde de stilte.
Peter legde zijn hand op mijn schouder.
“Toen je in het ziekenhuis lag,” zei hij zacht, “hebben we geld ingezameld. De buren, vrienden, zelfs collega’s. Iedereen wilde helpen. En… ik heb extra uren gemaakt. We hebben het huis herbouwd, pap. Niet precies zoals het was, maar genoeg om opnieuw te beginnen.”
Ik voelde hoe mijn keel dichtkneep…….