Ik moest even slikken. “Dan moet zij prachtig geweest zijn.”
Haar schouders zakten iets. De glimlach die net nog op haar gezicht zat, vervaagde.
“Dat was ze. Ze stierf tweeënhalf jaar geleden. Ze zorgde voor me. Meer dan wie dan ook.” Haar stem brak. “Nu ben ik gewoon… aan het verspreiden, denk ik.”
Dat woord bleef in mijn hoofd hangen. Verspreiden. Alsof ze stukje bij beetje van de wereld verdween.
Mijn ogen prikten. Zonder erover na te denken scheurde ik mijn broodje in tweeën en hield haar de grootste helft voor.
“Heb je honger?”
Haar kin trilde. Ze knikte, zichtbaar beschaamd, en nam het broodje met handen die kouder waren dan de lucht. Ik legde mijn hand even op de hare.
“Blijf zitten. Ik haal boodschappen.”
Binnen koos ik snel alles wat lang houdbaar was: havermout, soep, bananen, appels, brood. Toen ik weer naar buiten liep, was de bank leeg.
Alleen de korst van mijn broodje lag er nog. De vrouw was verdwenen alsof ze nooit had bestaan.
Arman legde later zijn armen om me heen en fluisterde tegen mijn slaap: “Ze moet verlegen zijn geweest. Maar je hebt een goed ding gedaan.”
Maar één zin bleef de hele avond door mijn hoofd echoën:
“Je lijkt precies op mijn kleindochter.”
De volgende ochtend besloot ik de boodschappen af te leveren bij een opvanghuis in de buurt. Misschien zou ze daar terechtkomen. Misschien niet. Maar het voelde beter dan niets………..
