Ik liep voorzichtig dichterbij. De zon was aan het zakken en wierp een gouden gloed over de scène. Het was eigenlijk best ontroerend.
Ik zuchtte.
— Goed, ik help je.
We zochten samen tussen dozen en zakken. Ik vond oude boeken, een kapotte cd-speler, zelfs een wiegje. Geen jas.
Na bijna een uur zoeken plofte hij neer op een stapel oude kranten.
— Hij is weg, zei hij zacht. Alles wat ik nog had van die tijd… verdwenen.
Ik ging naast hem zitten.
— Weet je, misschien is dat juist goed. Soms moeten we dingen loslaten om ruimte te maken voor nieuwe herinneringen.
Hij keek me aan met een mengeling van verdriet en glimlach.
— Dat klinkt als iets uit een tijdschrift.
Ik lachte.
— Misschien. Maar het is waar. En trouwens, ik heb nog iets van die jas bewaard.
Zijn ogen lichtten op.
— Echt? Wat dan?
Ik haalde uit mijn tas een kleine leren patch die ik van de jas had gehaald voordat ik hem weggooide…
