De man in pak bleef een paar passen van me af staan. Zijn schoenen zonken lichtjes weg in de zachte aarde, maar hij leek daar geen aandacht aan te schenken.
‘Bent u… de erfgenaam van dit perceel?’ vroeg hij, terwijl hij de map onder zijn arm wat steviger vastklemde.
Ik knikte, veegde het zweet van mijn voorhoofd en zette de hark tegen de muur van de schuur.
‘Dat klopt. Wat kan ik voor u doen?’
De man stelde zich voor als meneer Sanders, vertegenwoordiger van een vastgoedontwikkelaar. Zijn toon was koel, bijna zakelijk, maar de manier waarop zijn blik het terrein in zich opnam, verraadde iets anders: interesse.
‘Mijn werkgever heeft gehoord dat dit stuk grond al enige tijd niet onderhouden wordt,’ zei hij. ‘We zouden eventueel een bod willen uitbrengen om het perceel te kopen. Contant, snel en zonder gedoe.’
Ik had die woorden een week eerder waarschijnlijk met open armen ontvangen. De belastingdruk en de staat van de boerderij leken een last die ik nauwelijks kon dragen. Maar iets in mij weigerde meteen toe te happen……
