Mathieu liet zich langzaam op een stoel zakken.
Twintig jaar. Twintig jaar ergernis, stil verzet, vermoeidheid. En nu… dit.
“Ik heb me zo vaak schuldig gevoeld,” zei hij zacht. “Omdat ik soms boos was.”
Élise pakte zijn hand.
“Hij wist het,” fluisterde ze. “En hij hield van je. Op zijn manier.”
De notaris stond op.
“Er is niets dat u vandaag hoeft te beslissen. Neem de tijd. Rouw. En leef.”
Toen de deur achter hem dichtviel en de regen weer hoorbaar werd, bleef het huis stil.
Maar het was geen leegte meer.
Die avond aten Mathieu en Élise zwijgend aan tafel. Op de plek waar Henri altijd zat, stond nog steeds zijn oude mok.
Mathieu nam hem op, keek ernaar, en zei eindelijk:
“Hij was geen last.”
Élise glimlachte door haar tranen heen.
“Hij was familie.”
En voor het eerst in jaren voelde het huis niet lichter door wat het had gekregen —
maar door wat eindelijk was begrepen.