—
Toen wees ik naar de andere plank.
—
Leeg.
—
“Dit is wat jij hebt gekocht,” zei ik rustig.
—
De stilte werd zwaarder.
—
Zijn broer kuchte.
—
Iemand achterin zei zacht:
“Serieus?”
—
Zijn moeder keek nu recht naar hem.
—
Niet meer naar mij.
—
“Is dit waar?” vroeg ze.
—
Maurice opende zijn mond.
—
Maar er kwam niets.
—
Voor het eerst
had hij geen snelle reactie.
—
Geen grap.
—
Geen excuus dat overtuigend genoeg klonk.
—
Alle ogen waren op hem gericht.
—
Niet op mij.
—
Niet op “de vrouw die overdrijft”.
—
Maar op hem.
—
En wat hij had gezegd.
—
En gedaan.
—
“Ik… ik bedoelde het niet zo,” mompelde hij uiteindelijk.
—
Ik haalde mijn schouders licht op.
—
“Maar je zei het wel.”
—
Geen woede.
—
Geen drama.
—
Alleen waarheid.
—
En die bleef hangen.
—
Lang.
—
Oncomfortabel lang.
—
Toen gebeurde er iets onverwachts.
—
Zijn tante liep naar voren.
—
Zette haar schaal salade op tafel
en zei…………..