Drie dagen.
Dat is alles wat nodig was.
Niet om te genezen.
Niet om te vergeten.
Maar om… helder te worden.
Ik zat in de woonkamer van mijn ouders.
Rustig.
Te rustig.
Mijn moeder bracht thee.
Zonder vragen.
Alsof ze wist dat sommige dingen
niet meteen woorden nodig hebben.
Mijn vader liep heen en weer.
Niet boos.
Maar alert.
Beschermend.
Zijn blik ging telkens even naar mijn buik.
Alsof hij al had besloten
dat niemand ons ooit nog zo zou behandelen.
Mijn telefoon lag op tafel.
Stil.
Drie dagen lang…
geen bericht.
Geen “hoe gaat het?”
Geen spijt.
Niets.
En dat zei genoeg.
Ik pakte mijn telefoon.
Niet uit zwakte.
Maar uit keuze.
Ik scrolde.
Zocht één naam.
Javier.
Mijn vinger bleef even hangen.
Niet omdat ik twijfelde.
Maar omdat ik wist…
dat dit gesprek alles zou veranderen.
Ik drukte op bellen.
Het ging over.
Eén keer.
Twee keer.
Toen nam hij op.
“Lucía?”
Zijn stem klonk anders.
Niet sterk.
Niet zeker.
Onrustig.
Ik zei niets meteen.
Ik liet de stilte spreken.
“Waar ben je?” vroeg hij snel.
“Mijn moeder zegt dat je—”
“Ik bel niet om uit te leggen waar ik ben,” zei ik rustig.
Hij zweeg.
Voor het eerst.
“Ik bel om iets recht te zetten.”
Mijn stem was zacht.
Maar scherp……………….