Histoire 21 2084 36

De dagen daarna veranderde er iets. Niet groot. Niet spectaculair. Maar echt.

Cláudia ging elke ochtend even bij Marina zitten. Soms praatte ze. Soms niet. Soms las ze hardop een stukje uit een boek, ook al luisterde Marina misschien niet. Soms liet ze gewoon de stilte bestaan.

Op de vierde dag nam Marina een halve kom leeg. Op de zevende dag vroeg ze: — Kunnen we samen eten?

De tafel voor twaalf werd niet gebruikt. Ze aten aan het kleine keukentafeltje. Marina langzaam. Cláudia zonder haast.

Otávio keek van een afstand toe, alsof hij bang was het moment te breken.

Na twee weken kwam de kinderarts opnieuw. Marina was nog steeds zwak, maar haar ogen hadden weer glans. Haar gewicht was gestabiliseerd. Ze liep door de tuin, hand in hand met Cláudia.

— Wat heb je gedaan? vroeg de arts.

Cláudia glimlachte flauwtjes. — Ik heb niet geprobeerd haar moeder te vervangen. Ik heb haar verdriet niet weggemaakt. Ik heb het naast haar laten bestaan.

Die avond zat Otávio tegenover Cláudia aan tafel. — Ik wil niet dat je weggaat, zei hij plots. Niet als werknemer. Niet als oppas. Ik wil… dat je blijft. Voor Marina. En — hij aarzelde — misschien ook een beetje voor mij.

Cláudia keek naar Marina, die op de bank lag te tekenen. — Ik blijf, zei ze. Maar niet omdat u mij betaalt. Ik blijf omdat zij me heeft binnen gelaten.

Marina keek op. — Jij gaat toch niet weg?

Cláudia knielde naast haar. — Nee, lieverd. Ik blijf.

Marina leunde tegen haar aan. Voor het eerst sinds het ongeluk, zonder angst.

En in dat enorme huis, dat ooit zo leeg had aangevoeld, klonk iets wat niemand meer had durven verwachten:

Laisser un commentaire