En elke keer dat twijfel aan haar deur klopte, herinnerde ze zich het applaus.
Niet als bevestiging van anderen.
Maar als bewijs dat waarheid herkend wordt wanneer ze moedig genoeg is om op te staan.
Maanden later ontving ze een brief.
Geen bericht.
Geen telefoontje.
Een echte brief.
Antón schreef dat hij therapie volgde. Dat hij “nu begreep”. Dat hij hoopte op vergeving. Niet om weer samen te zijn, zei hij — maar om zichzelf te kunnen vergeven.
Katia las de brief langzaam. Toen vouwde ze hem netjes op en legde hem in een lade.
Vergeving, begreep ze, is geen verplichting. Het is een keuze. En soms is afstand de enige vorm van zelfrespect.
Een jaar later stond Katia opnieuw in een zaal met kroonluchters.
Dit keer niet in het wit.
Maar in diep rood.
Ze stond op een podium, onder applaus, en ontving een prijs voor haar werk met vrouwen die uit gewelddadige relaties waren gestapt. Ze had haar verhaal gedeeld — niet om medelijden te krijgen, maar om licht te werpen op wat te vaak verborgen blijft.
In het publiek zat haar moeder, met tranen in haar ogen.
Toen Katia de microfoon nam, zei ze slechts één zin:
“De dag dat ik geslagen werd in het openbaar, was de dag dat ik mezelf terugvond.”
Het applaus was luid. Maar deze keer had ze het niet nodig.
Want de echte overwinning zat niet in handen die klapten —
maar in een vrouw die nooit meer zou zwijgen.