Op dat exacte moment liet Mateo een van zijn blokjes vallen. Het tikte op de marmeren vloer, een minuscuul geluid, maar genoeg om Valeria te laten opschrikken alsof iemand een glas had laten vallen.
“Mateo!” riep ze streng. “Als je niet stil kan spelen, dan speel je helemaal niet.”
Ze stond op en trok de mand met blokjes weg. Mateo keek haar aan, zijn lip bibberend, maar zei niets. Hij was altijd de zachtste van de drie.
Diego voelde zijn hart in stukken breken.
Dit was niet strengheid.
Dit was geen vermoeidheid.
Dit was minachting.
Plots klonk Sofi’s stem, klein maar dapper:
“Papa zou dat niet leuk vinden.”
Valeria draaide zich langzaam om, haar ogen samengeknepen.
“Oh, echt? Wat denkt je vader dan? Hij is er nooit! Hij laat mij hier met jullie, terwijl hij de hele dag bezig is met zijn zaken.”
Diego kon niet langer blijven staan.
Hij kwam uit de schaduw tevoorschijn.
Zijn stem vulde de ruimte met een kalme, maar ijzige vastberadenheid.
“Vertel me dan maar eens, Valeria… wat denk jij dat ik niet zou leuk vinden?”
Valeria verstijfde.
De kinderen draaiden zich tegelijk om.
Luca’s ogen vulden zich met tranen van opluchting.
Sofi rende naar hem toe.
Mateo verborg zich achter Luca.
Valeria’s gezicht werd krijtwit.
“Diego… je… je bent terug?”
Hij keek haar recht aan.
Zijn stem was laag.
Kalm.
En toch dodelijk helder.
“Ik ben nooit weggegaan.”