— Ik heb een voorstel, zei hij. Geen liefdadigheid. Geen gunst.
Hij schoof een map naar me toe. — Ik start een stichting. Voor kinderen zoals Chloé. Voor ouders zoals jij. En ik wil dat jij het leidt.
Ik schudde mijn hoofd. — Ik ben maar een vader zonder geld.
Arthur keek me indringend aan. — Nee. Jij bent een vader die bleef, zelfs toen alles instortte.
Zes maanden later liep Chloé weer door Central Park. Met een muts op haar hoofd en een ballon in haar hand.
Ze trok aan mijn jas. — Papa, kijk. Dat is de bank.
Arthur zat daar al. Hij glimlachte toen hij haar zag.
— Meneer Arthur! riep ze. Doet uw hart nog pijn?
Hij legde een hand op zijn borst. — Soms. Maar dan herinner ik me dat liefde niet verdwijnt. Ze verandert alleen.
Chloé klom naast hem op de bank en gaf hem een krakeling.
— Delen helpt, zei ze ernstig.
Arthur lachte. Een echte lach dit keer.
Ik keek naar hen en begreep eindelijk:
die dag in het park had geen levens gered door geld.
Maar door één klein meisje
dat durfde te vragen waar iedereen zweeg.