Die avond pakte ik het VvE-reglement erbij. Het lag ergens onderin een la, vergeeld en vergeten, net als de meeste regels die er ooit in waren geschreven. Ik schonk mezelf een kop kamillethee in, zette mijn leesbril op en begon te lezen. Niet vluchtig, maar woord voor woord. Als Gregory met regels wilde spelen, dan zou ik elk kommaatje leren kennen.
En daar, na twintig pagina’s vol droge taal, vond ik goud.
Er stond niets — helemaal niets — over decoratieve elementen in het gazon. Geen beperkingen op patronen, kleuren, vormen of combinaties, zolang het gras maar “gezond onderhouden” was en de hoogte niet boven de drie inch uitkwam.
Ik leunde achterover en glimlachte voor het eerst die dag.
De volgende ochtend begon ik.
Ik maaide het gras. Niet zomaar maaien, nee — ik maaide het perfect. Met een meetlat controleerde ik elke strook. Exact drie inch. Geen haar hoger. Vervolgens haalde ik touw, paaltjes en krijt tevoorschijn en begon lijnen uit te zetten.
Mijn buurvrouw Marlene kwam langs met haar hond en keek me hoofdschuddend aan.
“Ben je een voetbalveld aan het aanleggen?” vroeg ze.
“Wacht maar,” zei ik geheimzinnig.
Wat Gregory die week niet wist, was dat mijn overleden man, Patrick, landschapsarchitect was geweest. Hij had me ooit geleerd hoe je patronen in gras kon maken door simpelweg de maairichting te veranderen. Wat hij ook niet wist, was dat ik veel tijd had. En geduld. Heel veel geduld.
Na drie dagen werk was mijn gazon geen gewoon gazon meer.
Het was een kunstwerk.
Perfect symmetrische banen, afwisselend licht en donker groen. Een geometrisch patroon dat eruitzag alsof het met militaire precisie was aangelegd. In het midden had ik een cirkel gemaakt — geen bloemen, geen objecten, alleen gras — maar in een andere richting gemaaid, waardoor het leek alsof er een gigantisch medaillon in mijn voortuin lag……………..