De woorden bleven hangen alsof iemand de tijd had stilgezet.
Luitenant-generaal Dorsey.
Niemand lachte meer.
De glazen die net nog waren geheven, bleven halverwege hangen. Stoelen schoven ongemakkelijk. Iemand liet zijn vork vallen; het geluid klonk harder dan het had moeten doen.
Mijn moeder stond nog steeds rechtop, haar armen half geopend, alsof ze een applaus verwachtte dat nooit kwam. Haar gezicht was leeggetrokken, haar glimlach bevroren in een vreemde, misplaatste vorm.
Mijn vader…
Mijn vader keek alsof iemand het fundament onder zijn wereld had weggetrokken.
“Dit—dit is een grap,” bracht hij uit, te luid, te scherp. “Een soort toneelstuk?”
Kolonel Ellison draaide langzaam zijn hoofd naar hem toe. Zijn blik was niet boos. Niet minachtend. Gewoon… professioneel.
“Mijnheer,” zei hij koel, “dit is een formele militaire oproep.”
Hij keek weer naar mij.
“Het toestel wacht, mevrouw.”
Ik stond op.
Geen haast. Geen theatrale pauze. Ik schoof mijn stoel rustig naar achteren, pakte mijn tas en liep één stap naar voren. Mijn hakken klonken helder op de marmeren vloer — elk geluid een punt, een streep, een einde van een zin die twintig jaar te lang had geduurd.
Ik voelde honderden ogen branden.
Mijn moeder vond haar stem terug. “Anna… waarom weten wij hier niets van?”
Ik bleef staan. Draaide me om. Voor het eerst die avond keek ik hen recht aan.
“Omdat jullie nooit hebben gevraagd,” zei ik………