— Stop.
Mijn stem was niet luid.
Maar hij gehoorzaamde onmiddellijk.
— Tien jaar, Mark.
Tien jaar heb ik naast je gestaan.
Je gesteund.
Je beschermd.
Ik leunde iets naar voren.
— En jij… hebt me ingeruild voor iemand die je dacht te kunnen gebruiken.
Hij schudde zijn hoofd.
— Ik heb een fout gemaakt—
— Nee, zei ik rustig. — Je hebt een keuze gemaakt.
Die woorden…
braken hem.
Ik stond op.
— Het diner is voorbij.
Hij keek me wanhopig aan.
— En wij?
Ik glimlachte licht.
Maar zonder warmte.
— Wij waren al voorbij… voordat je haar hier bracht.
Ik draaide me om.
Maar ik stopte nog één seconde.
Zonder hem aan te kijken.
— Oh, en Mark…
Hij hield zijn adem in.
— De kaart die je haar gaf?
Een korte pauze.
— Die suite is op mijn naam.
En jij… bent vanaf vannacht niet langer welkom.
Ik liep weg.
Elke stap lichter dan de vorige.
Buiten wachtte mijn auto al.
De chauffeur opende de deur.
— Naar huis, mevrouw?
Ik keek nog één keer naar het gebouw.
Mijn gebouw.
Mijn wereld.
— Nee, zei ik zacht.
Een kleine glimlach verscheen.
— Naar het hoofdkantoor.