Grant Aldridge had maandenlang toegeleefd naar het moment dat alle artsen hem hadden voorspeld — de dag waarop zijn ziekte hem uiteindelijk zou verzwakken, de momenten waarop zijn hart het misschien niet langer zou volhouden. Hij had zich voorbereid, had elk detail gepland, had medicijnen, zuurstofapparaten en de nieuwste medische apparatuur in huis laten installeren. Hij dacht dat hij klaar was. Maar toen kwam die ene stormachtige nacht die alles veranderde.
De regen viel als een massieve deken over de stad terwijl Grant in stilte achterin zijn zwarte sedan zat, een grote zuurstoffles naast zich die zachtjes bromde. Zijn hart bonkte langzaam maar vast, elke klop een herinnering aan zijn fragiele bestaan. Hij dacht dat hij alleen was, afgesloten van de wereld. Tot hij onder het afdak van een luxe winkel vier kleine meisjes zag staan, dicht tegen elkaar aangedrukt, kletsnat, trillend van de kou. Hun haren kleefden tegen hun voorhoofden, hun kleren waren doorweekt. En het meest verbijsterende: ze leken identiek.
Vierlingmeisjes.
Grant stapte uit de auto. Zijn benen waren zwak en zijn adem stokte door de kou en spanning. De oudste van de meisjes hief haar kin en zei, met een stem zo koud als het regenwater dat langs hun wangen stroomde……………..