Het meisje keek even naar hem, alsof ze probeerde te begrijpen waarom die man plots zo anders was geworden.
— Van mama, zei ze opnieuw zacht. Ze zegt dat het een vlinder is die beschermt.
Die woorden troffen Armand harder dan welke beschuldiging ook.
Zijn adem stokte. Het plein bleef leven — koffiekopjes die tegen schoteltjes tikten, stemmen, voetstappen — maar voor hem leek alles te verdwijnen, alsof de wereld zich had teruggetrokken om plaats te maken voor dat ene kleine gouden sieraad.
Die vlinder bestond maar twee keer.
Vijfentwintig jaar geleden had hij ze laten maken. Hij was toen jong, arm, ambitieus en verliefd op een manier die hem doodsbang maakte. Eén vlinder had hij gehouden. De andere had hij aan Élise gegeven — de vrouw die hij meer had liefgehad dan hij ooit had durven toegeven, en die hij had laten gaan omdat succes belangrijker leek dan moed.
Zij was vertrokken zonder drama. Zonder verwijt. Zonder terug te kijken.
En Armand had dat hoofdstuk begraven onder vergaderingen, winst en een zorgvuldig opgebouwde façade.
— Waar is je mama? vroeg hij uiteindelijk, met een stem die breekbaar klonk, vreemd genoeg menselijk.
Het meisje wees naar een bankje iets verderop.
Daar zat een jonge vrouw met een versleten tas op schoot. Haar houding was recht, ondanks de vermoeidheid in haar schouders. Toen Armand haar aankeek en hun blikken elkaar kruisten, voelde hij iets in zijn borst breken en tegelijk ontwaken.
Élise.
De jaren hadden haar veranderd, maar niet genoeg om haar onherkenbaar te maken. Dezelfde ogen. Dezelfde rustige vastberadenheid. Dezelfde blik van iemand die heeft geleerd alleen te overleven…………..