Ik liep naar Thorne toe, mijn benen zwaar alsof ik door water bewoog. Hij glimlachte toen hij me zag.
“Hé,” zei hij warm. “Alles goed?”
“Kunnen we even praten?” vroeg ik. Mijn stem klonk kalm, maar ik voelde mijn hart bonzen tot in mijn keel.
Zijn glimlach vervaagde een fractie. “Natuurlijk.”
We liepen naar een rustiger hoekje van de zaal, achter een rij hoge bloemstukken. Ik pakte voorzichtig zijn arm vast.
“Mag ik je mouw even omhoog doen?” vroeg ik.
Hij verstijfde. Niet veel. Maar genoeg.
“Elara…” begon hij.
Ik deed het toch.
Daar was het litteken weer. Precies zoals ik het me herinnerde. Dezelfde kromming. Dezelfde bleke rand.
“Waar heb je dit aan overgehouden?” vroeg ik.
Hij sloot even zijn ogen. Toen zuchtte hij diep. “Ik wist dat dit moment zou komen,” zei hij zacht.
Mijn handen trilden. “Antwoord me, Thorne.”
Hij keek me recht aan. Geen paniek. Geen leugen in zijn ogen. Alleen… iets ouds. Iets zwaars.
“Ik was erbij,” zei hij. “Die dag.”
Mijn hart leek te stoppen. “Waarbij?”
“Bij Kael.”
De naam viel tussen ons in als een vallend glas.
“Ik kende hem,” vervolgde hij langzaam. “Niet zoals jij. Niet persoonlijk. Maar hij redde mijn leven.”
Ik staarde hem aan. “Wat?………………