Ik boog me naar haar toe, mijn glimlach nog op mijn gezicht geplakt voor de gasten om ons heen. “Wat is er, lieverd?” fluisterde ik terug.
Ze kneep harder in mijn jurk en wees met haar kleine vinger richting Thorne, die een paar meter verderop met mijn broer stond te praten. “Zijn mouw,” zei ze. “Aan de binnenkant.”
Mijn hart sloeg een slag over. Kinderen zien soms dingen die er niet zijn, hield ik mezelf voor. Een pluisje. Een vlek. Iets onschuldigs.
Maar de manier waarop Saffron keek — ernstig, bijna waakzaam — maakte dat mijn maag zich samentrok.
Ik volgde haar blik.
Thorne lachte om iets wat mijn broer zei en tilde zijn arm op om een slok van zijn glas te nemen. En heel even schoof zijn jasje omhoog.
Daar, net onder de manchet van zijn overhemd, zag ik het.
Een litteken.
Lang. Smal. Onmiskenbaar oud.
Mijn adem stokte.
Niet omdat Thorne een litteken had. Iedereen draagt wel ergens sporen van het leven. Maar omdat ik dat litteken kende.
Ik had het eerder gezien.
Lang geleden.
Op de arm van Kael.
Mijn wereld werd stil, alsof iemand het geluid uit de zaal had weggetrokken. De muziek, het gelach, het zachte rinkelen van glazen — alles vervaagde.
Ik herinnerde me hoe Kael me ooit had verteld dat hij het had opgelopen tijdens een reddingstraining bij zee. Een stuk metaal, een golf, haast. Ik wist nog dat ik met mijn vingers over dat litteken was gegaan terwijl hij sliep, denkend dat ik elke centimeter van hem kende.
En nu stond hetzelfde litteken op de arm van de man met wie ik net was getrouwd.
“Mama?” fluisterde Saffron opnieuw. “Waarom heeft papa dat?”
Ik slikte. “Ga even bij tante Liora staan, oké?” zei ik zacht, terwijl ik haar haren gladstreek. “Ik kom zo bij je.”
Ze aarzelde, maar knikte en liep weg, haar hoofd steeds omdraaiend alsof ze me niet uit het oog wilde verliezen……………..