Er ging een subtiel gemompel door de tafel. Een paar collega’s knikten bewonderend. Iemand zei:
“Wat een team zijn jullie.”
Mijn man glimlachte strak.
Het echte meesterwerk kwam later.
Na het hoofdgerecht stond ik op. “Wie helpt me even in de keuken met afruimen?”
Ik keek mijn man recht aan. Niet vragend. Verwachtend.
Hij bleef een seconde zitten, duidelijk hopend dat iemand anders zou opstaan. Niemand deed dat. Uiteindelijk schoof hij zijn stoel naar achteren.
In de keuken gaf ik hem een schort.
Hij keek ernaar alsof ik hem een belediging had overhandigd. “Serieus?”
“Maar natuurlijk,” zei ik zacht. “Je wilde toch samen hosten?”
Met open keuken, zicht op de eetkamer, begon ik instructies te geven. Rustig. Beleefd. Hard genoeg voor anderen om het te horen.
“Kun jij de borden stapelen?”
“Wil je even de kalkoen inpakken?”
“O, pas op, dat is heet.”
Elke keer knikte hij en deed wat ik vroeg, zijn wangen steeds roder. Af en toe wierp hij een blik de eetkamer in, waar zijn collega’s wijn dronken en geamuseerd toekeken………..