Hij keek naar zijn handen.
“Toen ik weer bij bewustzijn kwam… lag ik achter een rots.”
Zijn stem brak.
“Je vader lag een paar meter verder.”
Ik voelde mijn adem stokten.
Jean-Pierre keek me recht aan.
“Hij had me beschermd.”
Een traan rolde over zijn wang.
“Hij lag tussen mij en de explosie.”
Mijn benen voelden zwak.
De hele rechtszaal was muisstil.
Jean-Pierre fluisterde:
“Hij redde mijn leven.”
Mijn ogen vulden zich met tranen.
Mijn vader…
had niet zomaar in een gevecht gestorven.
Hij had iemand gered.
Jean-Pierre haalde diep adem.
“Voordat hij stierf… hield hij mijn hand vast.”
Mijn hart stopte bijna.
“Hij zei: ‘Als ik hier niet wegkom… zorg dan dat mijn zoon weet dat ik van hem hield.’”
De woorden sloegen in als donder.
Ik voelde tranen over mijn gezicht lopen.
Jean-Pierre keek naar mij alsof hij vijftig jaar terug in de tijd keek.
“Hij zei ook je naam.”
Mijn stem trilde.
“Mijn naam?”
Jean-Pierre knikte.
“Marc.”
De rechter, de advocaat, de mensen in de zaal…
niemand zei nog iets.
Jean-Pierre fluisterde:
“Hij had je foto bij zich.”
Mijn knieën voelden zwak.
“Een babyfoto. Je moeder had hem gestuurd.”
Mijn stem brak.
“En… wat gebeurde er daarna?”
Jean-Pierre keek naar de grond……………….