Santiago bleef verstijfd staan terwijl mijn moeder hem vasthield alsof ze bang was hem opnieuw te verliezen.
Ik begreep niets.
Mijn blik ging van haar naar hem… en weer terug.
— Mam…? zei ik zacht. — Wat gebeurt hier?
Maar ze leek me niet eens te horen.
Haar handen trilden terwijl ze zijn gezicht tussen haar vingers nam, alsof ze wilde controleren of hij echt was.
— Je leeft… fluisterde ze. — Je leeft echt…
Santiago slikte.
Zijn ogen vulden zich langzaam met iets wat ik nog nooit bij hem had gezien.
Geen rust.
Geen controle.
Maar… schok.
— Elena…? zei hij schor.
Mijn hart sloeg een slag over.
Elena.
Dat was de naam van mijn moeder.
De wereld leek plots kleiner te worden.
— Jullie… kennen elkaar? vroeg ik, mijn stem nu gespannen.
Ze keken elkaar aan.
Lang.
Te lang.
Alsof er jaren in die ene blik verborgen zaten.
Mijn moeder liet hem eindelijk los, maar bleef naar hem kijken alsof ze elk detail opnieuw probeerde te onthouden.
— Lina… zei ze zacht, zonder haar ogen van hem af te halen…
— Dit is…
Ze kon haar zin niet afmaken.
Santiago haalde diep adem.
— Ik denk… dat ik het moet uitleggen.
Mijn maag draaide.
Er was iets mis.
Iets heel erg mis.
Hij keek naar mij.
Echt naar mij.
En voor het eerst… zag ik angst in zijn ogen.
— Twintig jaar geleden… begon hij langzaam,
— had ik een relatie met je moeder.
Mijn hart stopte.
— Wat…?
Mijn blik schoot naar haar.
Ze huilde stil, haar handen voor haar mond.
— We waren jong… ging hij verder.
— En we hielden van elkaar.
Mijn benen voelden plots zwak.
— Maar… er gebeurde iets, zei mijn moeder, haar stem gebroken.
— Je verdween. Zonder uitleg. Zonder afscheid.
Santiago sloot zijn ogen even.
— Ik had een ongeluk. Een zwaar ongeluk.
— Ik verloor mijn geheugen… voor maanden. Misschien langer.
De woorden vielen als stenen.
— Toen ik eindelijk herstelde… zei hij,
— had men mij verteld dat jij… was verhuisd. Dat je verder was gegaan met je leven.
Mijn moeder schudde haar hoofd, tranen stroomden over haar wangen.
— Ik heb op je gewacht… jaren.
De stilte werd ondraaglijk.
Maar mijn hoofd zat ergens anders.
Ergens dieper.
Een gedachte… die ik niet wilde denken.
Maar die zich toch opdrong.
Langzaam keek ik naar Santiago.
Toen naar mijn moeder.
Toen weer naar hem.
— Wacht… fluisterde ik.
Mijn stem brak.
— Wanneer… precies?
Niemand antwoordde.
Maar hun gezichten…
vertelden alles…………….