Toen de bel boven de deur weer rinkelde, keek ik op. Het was de jongen. Hij stond in de deuropening, zijn ogen vastberaden, maar rustig. Hij keek niet naar me, maar naar de straat, waar de SUV’s al verdwenen waren. Zijn houding was anders, zelfverzekerder. Hij was niet meer dat stille, teruggetrokken kind dat elke dag wachtte op zijn ontbijt.
Zonder een woord te zeggen, liep hij naar een tafel in de hoek van de kamer, waar hij zijn gebruikelijke plaats innam. Ik stond op, automatisch, mijn hart klopte sneller. Was dit het moment om hem te confronteren? Wat moest ik hem vragen? Wat zou ik zeggen?
Ik liep naar hem toe, mijn stappen langzaam, onzeker. Toen ik dichtbij genoeg was, keek hij op. Zijn blik was kalm, als altijd, maar er was iets in zijn ogen dat me nu volledig de adem benam. Het was geen angst meer, geen onzekerheid. Het was vastberadenheid.
— Wie ben je? vroeg ik eindelijk, mijn stem zacht, bijna onmerkbaar.
Hij glimlachte, maar het was geen glimlach van dankbaarheid, zoals altijd. Dit was anders. Een glimlach van iemand die een geheim met zich meedroeg, een geheim dat ik niet kende.
— Ik ben wie ik moet zijn. zijn woorden waren kort, maar ze bevatten zoveel betekenis dat ik er even stil van werd………………..