Ik bleef staan.
Een oudere man van de beveiliging keek me ongemakkelijk aan.
“Mevrouw… zal ik een taxi voor u bellen?”
Ik schudde mijn hoofd.
“Ik red me wel.”
Ik liep weg. Niet huilend. Niet gebogen. Gewoon… weg.
Die avond zat ik in het kleine appartement dat ik tijdelijk huurde. Een kale ruimte. Een tafel. Twee stoelen. Mijn telefoon lag stil naast me.
Pas laat in de nacht ging hij.
“OMA?”
Rune’s stem klonk paniekerig.
“Waar ben je? Iedereen zegt dat je er niet was. Molde zei—”
“Ik weet wat Molde zei,” onderbrak ik hem rustig.
Stilte.
“Rune,” zei ik zacht, “ik wil je iets vragen. Wees eerlijk. Wist jij hiervan?”
Ik hoorde zijn ademhaling versnellen.
“…Ja.”
Dat ene woord deed meer pijn dan alles wat Molde had gezegd.
“Ze vond dat het beter was,” ging hij verder, haastig. “Ze zei dat je het zou begrijpen. Dat je niet van dit soort dingen houdt—”
“Ik heb mijn huis verkocht voor jouw geluk,” zei ik. Niet boos. Alleen feitelijk.
Hij begon te huilen.
“Ik weet het. En dat maakt het erger. Ik schaam me. Ik had moeten opkomen voor je. Maar alles ging zo snel—”
Ik sloot mijn ogen.
“Rune,” zei ik, “ik heb je opgevoed om vriendelijk te zijn. Om dapper te zijn. Niet om weg te kijken.”
“Ik kom nu,” zei hij. “Ik zweer het. Ik ga weg en—”
“Doe dat niet,” zei ik meteen. “Vandaag is niet de dag voor drama. Vandaag is de dag dat jij ziet wie je bent… en wie naast je staat………….