Nora knikte langzaam.
‘Ik ben hier niet om excuses te maken,’ zei Eliza. ‘Ik ben hier omdat ik bang ben. Voor hen.’
Diezelfde avond schreef Nora haar zonen een brief. Geen verwijten. Geen verdediging. Alleen feiten. Data. Rapporten. En één zin aan het eind:
Ik zal altijd jullie moeder zijn. De deur blijft open.
Drie maanden gingen voorbij.
Op een regenachtige nacht ging haar telefoon.
‘Mam?’
Haar adem stokte.
‘Jonas?’
Zijn stem brak. ‘Hij sloeg Micah. We zijn weggerend. We wisten niet waarheen.’
Nora trok haar jas aan.
‘Blijf waar je bent,’ zei ze. ‘Ik kom.’
Toen ze hen vond — nat, trillend, gebroken — sloot ze hen in haar armen zoals ze dat zestien jaar had gedaan.
‘Het spijt ons,’ fluisterde Micah. ‘We hadden moeten luisteren.’
Nora kuste hun haren.
‘Jullie hoefden alleen maar terug te komen,’ zei ze.
Sommige wonden helen langzaam.
Maar liefde — echte liefde — wacht.