Ik verwachtte niemand.
Toen ik de deur opendeed, stond daar een jonge vrouw. Begin dertig, eenvoudig gekleed, een beetje nerveus. Ze hield een kleine tas vast en glimlachte onzeker.
— Mevrouw… eh… bent u mevrouw Van Dijk?
— Dat ben ik, zei ik.
— Mijn naam is Emma. Ik woon drie huizen verderop. Ik zie u soms in de tuin. Ik hoop dat ik u niet stoor.
Ik schudde mijn hoofd.
— Helemaal niet. Kom binnen.
Ze bleek een alleenstaande moeder te zijn. Haar man was twee jaar eerder overleden. Ze werkte parttime in een verzorgingshuis en had een zoontje van zes. Ze had gezien hoe ik soms worstelde met mijn boodschappentassen en wilde vragen of ze kon helpen.
Niet uit plicht. Niet uit verwachting. Gewoon… omdat ze het had gezien.
Vanaf die dag kwam Emma één keer per week langs. Soms om boodschappen te dragen. Soms om samen thee te drinken. Soms bracht ze haar zoontje mee, die mijn oude pianokruk ontdekte en er een racebaan van maakte voor zijn speelgoedauto’s.
Ze vroeg me dingen.
Echte dingen.
Hoe het met mijn nachten ging. Of ik pijn had. Wat ik miste. Wat ik me herinnerde.
Ze luisterde.
In de lente hielp ze me met het opruimen van de zolder. In de zomer zaten we samen in de tuin. In de herfst bakten we appelcake.
En toen kwam kerst weer dichterbij.
Mijn kleinkinderen belden weer.
Eerst voorzichtig. Toen iets nadrukkelijker.
— Oma, zei Melissa, we hadden het zo druk vorig jaar…
— Het was misschien een misverstand, zei Thomas……………..