Histoire 18 2068 08

Toen ik de voordeur opendeed, wist ik meteen dat er iets mis was. Het huis voelde leeg. Te leeg. Alsof het zelf zijn adem inhield.

Normaal gesproken hoorde ik Ranger al voordat ik mijn sleutels neerlegde — het zachte tikken van zijn poten op de vloer, zijn korte blafje van herkenning. Ranger was mijn hulphond. Niet zomaar een huisdier, maar mijn anker. Hij voelde mijn aanvallen aankomen voordat ik dat zelf deed. Hij waarschuwde me, hield me tegen, haalde mijn medicijnen. Zonder hem was ik niet veilig.

“Ranger?” riep ik, terwijl mijn hartslag versnelde.

Geen antwoord.

Mijn moeder verscheen in de gang met een keukendoek in haar handen, alsof dit een gewone dag was.

“Je zus is bang voor honden,” zei ze achteloos. “We hebben hem naar het asiel gebracht.”

Mijn zicht vernauwde zich. Mijn knieën werden slap.

“Welk… asiel?” fluisterde ik.

Mijn vader kwam achter haar staan, zijn armen over elkaar.

“Familie gaat voor alles,” zei hij kort. Dat was zijn manier om elk gesprek te beëindigen.

Ik bleef staan, mijn jas nog aan.

“Ik heb deze week drie aanvallen gehad,” zei ik zacht. “Drie. Ranger heeft er twee voorkomen.”

Mijn moeder zuchtte.

“Je zus kreeg een paniekaanval toen hij gisteravond blafte.”

“Hij blafte omdat ík bijna flauwviel,” zei ik scherp. Mijn hart bonsde in mijn oren. Ik voelde het bekende waarschuwingssignaal — die vreemde tinteling, die druk achter mijn ogen.

Mijn vader wees naar de keuken.

“Ga zitten. We regelen dit morgen.”

Morgen. Alsof epilepsie kon wachten.

Ik liet me op de bank zakken. Mijn handen trilden terwijl ik naar mijn telefoon tastte. Het scherm werd even wazig. Aura. Dit was geen oefening……………….

Lees verder op de volgende pagina.

Laisser un commentaire