Mijn benen trilden terwijl ik daar stond, alsof mijn lichaam pas seconden later begreep wat mijn ogen al hadden gezien. Ik hield me vast aan de rugleuning van een stoel om niet door mijn knieën te zakken. Mijn hart bonkte zo hard dat ik bang was dat het de baby wakker zou maken.
Een baby.
In mijn huis.
In de armen van mijn man.
Duizend gedachten schoten tegelijk door mijn hoofd, maar geen enkele durfde ik af te maken. Was dit… verraad? Was dit een grap die te ver was gegaan? Of was dit het bewijs dat alles waar ik bang voor was, waar was geweest?
“Aaron?” fluisterde ik.
Hij bewoog niet.
Ik zette een paar voorzichtige stappen dichterbij, alsof één verkeerde beweging alles zou doen verdwijnen. De baby ademde rustig, haar borstje ging zacht op en neer. Ze maakte een klein geluidje in haar slaap, zo breekbaar dat mijn keel meteen dichtkneep.
Ik had dat geluid zo vaak in mijn dromen gehoord.
“Aaron,” zei ik nu harder, mijn stem trillend ondanks mezelf.
Zijn ogen gingen open. Eerst verward. Toen zag hij mij.
In een fractie van een seconde veranderde zijn gezicht. Slaap maakte plaats voor schrik. Pure, ongefilterde paniek.
“Lena,” zei hij hees. “Je… je bent thuis.”
“Ja,” antwoordde ik. “Dat zie je.”
Hij keek naar de baby in zijn armen, alsof hij haar plotseling weer voelde liggen. Voorzichtig, bijna instinctief, trok hij haar iets dichter tegen zich aan.
“Ik kan dit uitleggen,” zei hij snel.
Mijn handen balden zich tot vuisten. “Begin dan,” zei ik. “Nu.”
Hij ging rechtop zitten, zonder de baby wakker te maken. Zijn ogen waren rood, alsof hij al dagen nauwelijks had geslapen.
“Ze heet Sophie,” zei hij zacht. “Ze is drie dagen oud.”
Die woorden raakten me harder dan ik had verwacht………….