Maar geen spijt dat ik die stap had gezet.
Hij had iets gestolen van mij. Geld. Papieren. Veiligheid.
Maar hij had me niet mijn waardigheid afgenomen.
Ik stond op, waste mijn gezicht en keek mezelf aan in de spiegel. Mijn haar was grijs. Mijn ogen vermoeid.
Maar ik zag ook iets anders.
Ik zag een vrouw die nog durfde te voelen.
Een vrouw die nog kon hopen.
Een vrouw die één slechte ontmoeting niet haar hele verhaal liet bepalen.
Ik meldde het bij de politie. Ik regelde nieuwe papieren. Het was vermoeiend, vernederend soms, maar ik deed het.
En die avond, terug in mijn kleine huis buiten de stad, zat ik weer bij het raam. De vogels zongen. De zon zakte langzaam weg.
De eenzaamheid was er nog.
Maar ze was niet langer leeg.
Want ik wist nu iets wat ik jarenlang vergeten was:
Het is gevaarlijk om je hart te openen.
Maar het is nog gevaarlijker om het voorgoed gesloten te houden.