Toen zag ik het opnieuw.
De foto.
Mijn foto.
De zee op de achtergrond, diepblauw. Mijn hand in die van Marcus. Het glas champagne.
En daar…
half zichtbaar…
het catalogus.
Zijn naam.
Groot.
Duidelijk.
Niet te missen.
Marcus Delaney.
Solotentoonstelling.
New York.
Ik keek hem langzaam aan.
“Ze hebben het gezien…”
Hij knikte.
“Waarschijnlijk.”
Harold.
De stille man.
De man die altijd net iets te goed keek naar schilderijen.
De man die op mijn trouwdag niet alleen een pak droeg…
maar een verhaal.
“Je wist het,” zei ik.
Marcus aarzelde even.
Toen glimlachte hij zacht.
“Niet alles… maar genoeg.”
“Harold is niet zomaar een huisbaas, hè?”
Marcus schudde zijn hoofd.
“Brenton Gallery.”
Mijn adem stokte.
Ik kende die naam.
Iedereen kende die naam.
Een van de machtigste galerieën in de kunstwereld.
“Hij heeft je geholpen…”
“Hij heeft me gezien,” zei Marcus.
“Toen niemand anders dat deed.”
De ironie was bijna… perfect.
Mijn familie koos rijkdom………………