—
“Dat had je moeten bedenken,” zei ze.
—
Ze liep naar de deur.
—
En zonder nog één keer om te kijken…
ging ze weg.
—
Buiten voelde de lucht fris.
Vrij.
—
Haar gezicht deed pijn.
Haar hart ook.
—
Maar iets anders…
was eindelijk verdwenen.
—
De angst.
—
Die avond zat Elena alleen.
In een kleine, tijdelijke studio.
Met een kop thee in haar handen.
—
Niet perfect.
Niet luxueus.
—
Maar van haar.
—
Ze keek naar haar spiegelbeeld.
De brandwonden.
De sporen.
—
En fluisterde:
—
“Ik ben er nog.”
—
Sommige mensen breken je…
omdat ze denken dat je nooit zult vertrekken.
—
Maar op een dag…
sta je op.
—
Niet zonder littekens.
Maar met waarheid.
—
En dat…
is sterker dan alles wat ze ooit van je hebben afgenomen.