«Nee!» onderbrak ze me onmiddellijk, haar stem onverwacht scherp. Daarna zakte haar toon weer. «Nee… dat is het niet. Dat bedoel ik niet.»
Ze ademde diep in, alsof ze zichzelf moed aanpraatte. «Je moet je koffers pakken omdat… ik niet wil dat je hier blijft.»
De lucht leek even uit de kamer te verdwijnen.
Ik voelde hoe mijn benen slap werden. «Je… wilt dat ik wegga?» fluisterde ik.
Miranda sloeg haar ogen neer. «Niet omdat ik je niet wil. Niet omdat ik boos ben. Het is omdat ik eindelijk iets begrijp. Iets wat ik te lang heb genegeerd.»
Ze liep naar de kast en haalde een klein, vergeeld doosje tevoorschijn. Ik herkende het meteen. Het was het doosje dat Lila altijd bewaarde in haar nachtkastje — en dat ik na haar overlijden zorgvuldig had opgeborgen, omdat Miranda er toen te jong voor was om de inhoud te begrijpen.
Miranda overhandigde het me. «Ik heb het een paar maanden geleden gevonden.»
Ik opende het voorzichtig. Binnenin lag een brief. Het handschrift was Lila’s — rond, warm, haast dansend.
Ik voelde een steek in mijn borstkas.
«Lees hem,» zei Miranda zacht.
Mijn handen trilden toen ik de brief openvouwde.
“Voor mijn dochter, en voor haar tweede moeder.”
De woorden blonken als een oude wond die opnieuw open ging…………