De kristallen kroonluchters hingen als gevangen sterren boven de zaal. Bestek tikte zacht tegen porselein, en een strijkkwartet weefde elegante tonen door de lucht. In dat glanzende, bijna heilige decor stapte een vrouw binnen met een verweerde, zonverbleekte jas en schoenen die duidelijk te veel kilometers hadden gezien. Ze droeg geen sieraden, geen make-up, alleen de waardigheid van iemand die lang had gezwegen.
De gastvrouw onderschepte haar direct. Een glimlach, scherp als een mes, verscheen op haar gezicht.
‘Goedenavond. Dit is een gastronomisch restaurant,’ zei ze met een toon die duidelijk bedoelde: Hier hoor je niet thuis.
‘Ik ben precies waar ik moet zijn,’ antwoordde de vrouw kalm. ‘Een tafel voor één alstublieft.’
Met voelbare tegenzin bracht de gastvrouw haar naar de verste hoek van de zaal — weg van het licht, ver van de andere gasten. De vrouw ging zitten zonder protesteren. Enkele mensen keken naar haar, fluisterden achter hun servetten. Een man in een perfect passend pak snoof afkeurend.
De jonge ober Luis, zijn naamkaartje een tikje scheef, kwam naar haar toe met een vriendelijke blik die niet paste bij de kilte van zijn omgeving.
‘Wat mag ik u brengen vanavond?’ vroeg hij beleefd.
‘Wat is uw goedkoopste soep?’
‘Een groentebouillon,’ zei hij voorzichtig.
‘Perfect. En mag ik daar heel heet water apart bij?…………