Lebedev draaide zich onmiddellijk om en gaf een kort teken aan de agent bij de deur.
“Hij komt er niet in,” zei hij vast.
De vrouw begon te trillen.
Tranen verzamelden zich in haar ogen.
“Ik ben gevallen,” fluisterde ze plots, bijna automatisch.
Een ingestudeerde zin.
Een reflex.
Sokolov knielde licht naast haar.
“U hoeft niets te zeggen wat u niet wilt,” zei hij zacht. “Maar u bent hier beschermd.”
Een lange stilte volgde.
Haar ademhaling was onregelmatig.
Toen… heel langzaam… schudde ze haar hoofd.
Een kleine beweging.
Maar krachtiger dan woorden.
Lebedev stapte naar voren.
Zijn stem was rustiger dan ooit.
“Wie heeft u dit aangedaan?”
De vrouw sloot haar ogen.
Eén traan gleed over haar wang.
En toen… bijna onhoorbaar…
zei ze:
“Hij.”
In de gang klonk plots verzet.
Stemmen.
Beweging.
Dmitri.
Te laat.
Lebedev liep zonder aarzeling naar buiten.
“Dmitri Volkov,” klonk zijn stem scherp, “u bent aangehouden.”
De chaos barstte los.
Maar in de kamer…
keerde de stilte terug.
Sokolov keek naar de vrouw.
Naar de littekens.
Naar de waarheid die eindelijk gesproken was.
En voor het eerst die nacht…
voelde het niet als een gevecht tegen de dood.
Maar als het begin van gerechtigheid.