De woorden vielen zwaar, als stenen in stil water.
Miles keek naar de grond.
— Ik herinner het me, zei hij hees. Elke dag.
— Goed.
Ze keek hem nu recht aan.
— Dan weet je hoe schaamte smaakt. De blikken. Het gefluister. Het medelijden.
Zijn keel trok samen.
— Het spijt me.
Maar haar stilte woog zwaarder dan zijn excuses.
Hij haalde diep adem.
— Ik was bang, Elena. Ik dacht dat ik niet klaar was. Dat ik jou zou teleurstellen. Dus… rende ik weg.
Ze lachte zacht, zonder humor.
— Je hebt me teleurgesteld. Maar niet op de manier die jij denkt.
Hij fronste.
— Wat bedoel je?
Ze keek naar de kinderwagen.
— Die dag, toen jij niet kwam, dacht ik dat mijn leven voorbij was. Maar het was alleen het leven dat ik met jou dacht te hebben.
Hij volgde haar blik.
— Zijn ze… van jou?
— Natuurlijk.
— En hun vader?
Ze zweeg even.
— Hun vader is iemand die bleef, zei ze rustig. Iemand die geen beloften maakte die hij niet kon nakomen.
Miles sloot zijn ogen.
— Leeft hij nog?
— Nee.
Hij keek op.
— Het spijt me.
— Dank je.
Ze keek hem nu weer aan, onderzoekend.
— Waarom ben je hier, Miles?
Hij aarzelde.
— Mijn moeder. Ze ligt hier. Ik kom haar bezoeken.
— Dan is dat alles.
Hij slikte……………