“…Mama…”
Het woord was nauwelijks hoorbaar.
Meer adem dan stem.
Maar het raakte Laura harder dan alles wat ze ooit had meegemaakt.
Ze verstijfde.
Haar vingers verstrakten rond haar tas.
“Wat…?” fluisterde ze.
Carlos keek geschrokken op.
“Nee, nee… ze is in de war,” zei hij snel. “Ze noemt soms… elke vrouw zo… als ze koorts heeft…”
Maar Laura hoorde hem nauwelijks.
Ze keek alleen naar het meisje.
Die ogen.
Die blik.
Het was niet alleen gelijkenis.
Het was herkenning.
Diep.
Pijnlijk.
Onmiskenbaar.
Langzaam liep Laura dichterbij.
Alsof elke stap door water ging.
“Hoe heet ze?” vroeg ze zacht.
Carlos aarzelde.
“Sofía.”
Laura’s adem stokte.
Haar wereld kantelde.
Tien jaar geleden.
Een ziekenhuis.
Felle lichten.
Een beslissing die haar carrière moest redden.
Een keuze die haar leven had verdeeld in “voor” en “na”.
Ze had een baby gekregen.
Te vroeg.
Te zwak.
Artsen hadden gezegd dat de kans klein was.
Heel klein.
En Laura…
had getekend.
Papieren.
Toestemming.
Afstand.
Omdat ze toen geloofde dat ze geen moeder kon zijn.
Niet in haar wereld.
Niet in haar tempo.
“Dat is niet mogelijk…” fluisterde ze.
Maar haar hart wist al beter.
“Waar is haar moeder?” vroeg Laura, haar stem nu breekbaar………………