“Het spijt me,” zei hij. “Ik dacht dat geld ons zou redden. Maar ik had hier moeten zijn.”
Ze huilde niet. Ze trilde alleen.
“Ik was zo alleen,” fluisterde ze. “Elke nacht dacht ik dat Léo zou stoppen met ademen.”
Julien brak.
De vijftigduizend euro werden nooit gebruikt waarvoor ze bedoeld waren.
Ze gingen naar therapie. Naar schuldaflossing. Naar een nieuwe start.
Julien vond werk in de buurt. Geen fortuin. Maar stabiel. Aanwezig.
Maanden later mocht hij zijn zoon voor het eerst weer vasthouden. Léo was gegroeid. Hij herkende zijn vader niet.
Dat deed pijn.
Maar Julien bleef.
Elke dag.
Een jaar later stonden ze samen voor een ander huis. Klein. Warm. Met licht achter de ramen.
Julien keek naar Amélie, die Léo vasthield.
“Ik dacht dat verdwijnen de oplossing was,” zei hij zacht. “Maar blijven… dat is het echte offer.”
Amélie knikte.
“Geld kan wachten,” zei ze. “Mensen niet.”
En voor het eerst sinds lange tijd voelde Julien geen angst meer — alleen verantwoordelijkheid.