“Oh, jongen…” Ze deed de deur verder open. “Kom binnen.”
Aan de keukentafel vertelde ze alles.
Na zijn vertrek had Amélie het eerst nog volgehouden. Trots. Stil. Ze had niemand om hulp gevraagd. Ze zei altijd dat Julien snel terug zou zijn.
Maar maanden gingen voorbij.
De rekeningen stapelden zich op. De elektriciteit werd afgesloten. De winter kwam vroeg dat jaar. Léo werd ziek. Eerst verkouden. Toen erger.
Amélie had bij de gemeente aangeklopt. Bij het ziekenhuis. Bij de sociale dienst. Maar zonder inkomsten, zonder nieuws van haar man, werd alles traag. Te traag.
“Waarom heb je me niet gezocht?” fluisterde Julien. “Waarom heeft niemand me iets gezegd?”
Madame Roussel keek hem recht aan.
“Ze wilde je beschermen,” zei ze zacht. “Ze was bang dat je alles zou opgeven en voor niets terug zou komen.”
Julien voelde de tranen eindelijk komen.
“Waar zijn ze?” vroeg hij opnieuw.
Amélie was opgenomen geweest in een opvangcentrum, tijdelijk. Léo had het overleefd, maar ternauwernood. Uiteindelijk was Amélie ingestort. Uitputting. Ondervoeding. Postnatale depressie die niemand had gezien.
Ze was opgenomen in een kliniek, tientallen kilometers verderop.
Léo was tijdelijk geplaatst bij een pleeggezin.
Julien hoorde het alsof hij onder water zat.
Die nacht sliep hij niet.
De volgende ochtend nam hij de bus naar de kliniek.
Toen Amélie hem zag, leek ze eerst te denken dat ze hallucineerde. Ze was mager. Haar ogen groot, leeg.
“Je bent niet echt,” zei ze. “Je bent niet echt…”
Julien knielde voor haar neer………….