Histoire 15 2033 27

De lucht boven de heuvels van Lyon was zacht en helder die ochtend, met een lichte nevel die als een sluier over het landschap lag. Jean en ik, beiden in de late vijftig, hadden besloten een wandeling te maken langs een pad dat we al jaren kenden. Het was een plaats van rust, een plek waar we vroeger vaak met onze kinderen kwamen toen ze nog klein waren.

 

Maar die dag voelde alles anders. Er hing iets in de lucht — geen gevaar, maar een onuitgesproken spanning die ik niet kon plaatsen.

 

Onze dochter Claire en haar man Marc waren met ons meegekomen. Een zeldzaamheid. Claire was altijd druk in haar atelier, Marc in zijn boekhandel. Toch hadden ze voorgesteld om een dag met ons door te brengen. „Kwaliteitstijd,” had Marc lachend gezegd. Maar nu, terwijl we langzaam omhoog liepen, merkte ik dat Claire steeds wat stiller werd.

 

We naderden een uitzichtpunt met een houten hek. Het pad was smal en licht vochtig door de regen van de avond ervoor. Jean liep voorop, Marc achter hem. Claire en ik volgden op een paar meter afstand.

 

Net toen Jean zich omdraaide om iets te zeggen, gleed Claire’s voet een beetje weg. Ze strekte instinctief haar hand uit, raakte mijn arm, en voor we het doorhadden, stonden we allebei wiebelend op het gladde stuk. We struikelden niet echt — het was meer een onverwachte beweging die ons deed neerzitten op de zachte aarde langs het pad.

 

Jean schoot naar voren.

„Anne, gaat het?” vroeg hij bezorgd.

 

„Het is niets,” zei ik. „Schrik, meer niet.”

 

Claire knielde naast me.

„Mama, het spijt me… ik gleed gewoon weg.”

 

Haar stem klonk breekbaar, alsof er iets anders meespeelde dan een simpele misstap.

 

Toen ze haar handen samenkneep, zag ik iets in haar ogen dat ik lang niet had gezien: dezelfde blik die ze had in de weken na de dood van haar broer Julien, twintig jaar geleden.

 

Een blik die meer zei dan woorden.

 

 

 

Het gesprek dat niet langer kon wachten

 

We zetten onze wandeling voort, maar de sfeer was veranderd. Claire bleef nerveus. Marc keek haar steeds aan alsof hij hoopte dat ze iets zou zeggen, maar ze zweeg. Toen we een banksje bereikten met uitzicht over de vallei, stelde Jean voor om te pauzeren.

 

„Misschien moeten we even zitten,” zei hij. Zijn stem klonk bedachtzaam.

 

Claire ging naast me zitten. Marc bleef staan, zijn handen in zijn zakken……..

Lees verder op de volgende pagina

Laisser un commentaire