—
“Bereid de auto voor,” zei ze.
—
“Waar ga je heen?” vroeg Lucia, paniekerig.
—
Valeria keek haar aan.
Langzaam.
—
“Mijn kind halen.”
—
Ze liep naar de uitgang.
Maar stopte nog één keer.
—
Zonder zich om te draaien zei ze:
—
“En maak je geen zorgen…”
—
Een korte stilte.
—
“Ik kom terug.”
—
De deuren sloten achter haar.
—
De zaal bleef achter in complete stilte.
—
Voor het eerst…
voelde Sebastian geen controle meer.
—
Alleen angst.
—
Uren later…
reed een zwarte wagen door een verlaten weg langs de rivier.
Mist hing laag boven het water.
—
Valeria keek uit het raam.
Haar hart bonsde.
—
Wat als het een leugen was?
Wat als het te laat was?
—
Maar diep vanbinnen…
voelde ze het.
—
Iets leefde nog.
—
De auto stopte voor een klein, oud huis.
Licht brandde binnen.
—
Valeria stapte uit.
Langzaam.
—
De deur ging open… nog voor ze kon kloppen.
—
Een oude vrouw stond daar.
Met ogen die te veel wisten.
—
“Je bent eindelijk gekomen,” zei ze zacht.
—
Valeria kon nauwelijks ademen.
—
“Waar… is mijn kind?” fluisterde ze.
—
De vrouw draaide zich om.
En maakte een gebaar.
—
“Kom binnen.”
—
Elke stap voelde zwaarder dan de vorige.
—
En toen…
zag ze hem.
—
Een kleine jongen…………………