Daar lag ze.
In ons bed.
Met Joël, haar collega.
De man van wie ze altijd had gezegd dat hij “geen enkel risico” vormde.
Ik zei niets. Ik gooide niets. Ik stond daar alleen maar, verstijfd, terwijl mijn huwelijk in stilte uiteenviel.
De volgende dag belde ik een advocaat.
Laura deed hetzelfde, en vanaf dat moment belandden we in een strijd die ik nooit had gewild. Maar ik kon maar aan één ding denken: Chloé.
Ik wilde haar niet alleen in het weekend zien. Ik wilde haar thuiskomst, haar nachtlampje, haar vragen voor het slapengaan, haar tekeningen op de koelkast.
Ik wilde haar niet verliezen.
Maar mijn advocaat, Cassandra, waarschuwde me:
> “In dit soort zaken krijgt de moeder bijna altijd de voogdij, behalve bij ernstige verwaarlozing. Ontrouw maakt haar geen slechte moeder.”
Ik wist het. Maar ik moest het proberen.
De rechtszaak voelde als een toneelspel. Laura’s advocaat schetste een beeld van haar als perfecte, stabiele moeder. Hij haalde elke keer dat ik voor mijn werk weg was naar voren. Elk schoolmoment dat ik had moeten missen……