— “Maman? Gaat het wel?”
Élise draaide zich naar hem toe en glimlachte, maar hij zag het: de rand van verdriet in haar ogen.
— “Oui, mon fils… ik ben gewoon moe. Parijs is zo groot.”
Luc keek naar de skyline en dan naar zijn moeder.
Hij wist dat iets niet klopte.
Maar Marianne riep hem van beneden voor een nieuwe vergadering en zoals altijd, volgde hij.
Élise bleef alleen achter.
Ze keek naar haar handen — oude handen, getekend door werk, tuinieren, koken, zorgen.
Handen die Luc hadden grootgebracht.
Handen die nu trilden.
Ze fluisterde:
— “Henri… je avais raison. Il est si loin maintenant.”
Haar beslissing viel als een blad dat van een boom loslaat: zacht, maar onherroepelijk.
—
De terugkeer
Om vier uur ’s nachts stond Élise in de hal met haar kleine valies. De lift zoemde zacht terwijl hij haar naar beneden bracht. In de glazen wanden zag ze haar eigen reflectie: een vrouw die niet paste in deze glanzende wereld.
Ze riep geen taxi. Ze liep, langzaam maar vastberaden, tot ze een nachtbus vond.
De chauffeur keek verbaasd toen ze instapte.
— “Zo vroeg al onderweg, mevrouw?”
— “Ik ga naar huis.”
Haar stem was zacht, maar zeker……..