Mijn moeder begon te huilen. Geen harde tranen, maar stille, uitgeputte tranen van iemand die te lang sterk was geweest.
De dagen daarna kwam Alejandro terug. Niet met grote beloften, maar met aanwezigheid. Hij bracht boodschappen. Hij bracht bloemen. Hij bracht rust.
Hij regelde een nieuwe arts voor mijn moeder. Niet omdat hij rijk was, zei hij, maar omdat hij wilde begrijpen wat haar ziek maakte. Mijn grootmoeder kreeg betere medicijnen. Langzaam begon haar ademhaling rustiger te worden.
En ik?
Ik hoefde niet meer blootsvoets door de stad te lopen.
Maar Alejandro maakte één ding heel duidelijk:
“Dit verandert niets aan wie jij bent, Lucía. Geld maakt niemand groter. Liefde wel.”
Hij nam me mee naar zijn huis. Niet om te pronken, maar om vragen te beantwoorden. Ik zag opnieuw de foto van mijn moeder aan de muur.
“Waarom hing die daar?” vroeg ik.
Hij glimlachte verdrietig. “Omdat sommige mensen hun eerste liefde nooit loslaten. Zelfs niet als ze denken dat ze haar kwijt zijn.”
—
Op een avond zaten we met z’n drieën aan tafel. Geen luxe. Gewoon soep en brood………..