Het gebeurde drie weken later, op een vochtige dinsdagochtend. De lucht rook naar regen en natte bladeren, en de zon had zich nog niet getoond. Oliver zat aan de keukentafel en at zijn ontbijt terwijl ik de krant doorbladerde, mijn gedachten nog steeds bij de envelop en het contante geld. Elke keer als ik naar de koffer keek, sloeg de angst als een golf over me heen.
Plotseling ging de deurbel. Mijn hart sloeg over. Wie kon dit zijn? Een postbode? Iemand die iets had gevonden? Ik stond op, mijn hand trillend terwijl ik de deur opendeed.
Voor de deur stond een oudere man, net op de rand van mijn tuinpad. Zijn gezicht was rimpelig, maar zijn ogen helder en scherp. Hij hield een stapel enveloppen vast, met een van die enveloppen duidelijk in mijn richting gericht.
“Mevrouw Rebecca?” vroeg hij.
“Ja,” stamelde ik, mijn stem onzeker. “Bent u…?”
“Mijn naam is meneer Van Dijk,” zei hij, terwijl hij een envelop overhandigde. “Ik werk voor Lena. Ze vroeg me dit te bezorgen als er iets met haar gebeurde, of als zij niet in staat was het zelf te doen.”
Mijn handen trilden toen ik de envelop nam. Hij voelde zwaar aan. Ik keek naar de man, maar hij zei verder niets. Zonder afscheid te nemen draaide hij zich om en verdween bijna geluidloos in de mistige ochtend.
Ik sloot de deur en liet me op de bank zakken. Oliver, onbewust van de ernst van de situatie, speelde verder met zijn blokken. Met een diepe zucht scheurde ik de envelop open. Binnenin lagen meerdere documenten: een gedetailleerde brief, instructies, en papieren met bankinformatie.
De brief begon kalm, maar elke zin maakte mijn hart zwaarder:……………