Histoire 14 07 21

“Hij was van hem…” fluisterde hij.

De verpleegster sprak met de man.

Rustig.

Gewoon.

Alsof ze dit gesprek al honderd keer had gevoerd.

“Hij is er weer,” zei ze zacht.

“Zoals elke dag.”

De man glimlachte.

Zwakt.

Maar echt.

“Hij komt altijd…” fluisterde hij.

“Hij heeft het beloofd…”

In de controlekamer keek iedereen naar het scherm.

Niemand zei iets.

Caramel ging naast de rolstoel liggen.

Legde zijn kop op de voetsteun.

En bleef daar.

Stil.

Tevreden.

Alsof hij eindelijk was waar hij moest zijn.

“Hoe lang al?” vroeg een agent zacht.

Bernard keek naar het scherm.

Toen naar de gegevens.

Toen weer naar Caramel.

“Volgens de beveiliging… minstens twee jaar,” zei hij.

Twee jaar.

Elke ochtend.

Elke avond.

Geen dag gemist.

Roussel stond achteraan.

Zijn armen eerst nog gekruist.

Streng.

Onbewogen.

Maar langzaam…

zakten zijn schouders.

“Waarom?” vroeg hij uiteindelijk.

Niet boos.

Niet scherp.

Gewoon… menselijk.

Bernard antwoordde niet meteen.

Hij keek naar het scherm.

Naar de hond.

Naar de man.

“Misschien,” zei hij zacht,

“omdat iemand hem ooit nodig had…”

Hij pauzeerde.

“…en hij dat nooit is vergeten.”

De verpleegster hielp de man een stukje van het brood te breken.

Hij at nauwelijks.

Maar hij probeerde.

Voor de hond.

Caramel keek toe…………….

Lees verder op de volgende pagina.

Laisser un commentaire