Amy begon te lachen. Haar kleine, onschuldige lach vulde de ruimte en deed mijn hart smelten. Maar tegelijkertijd voelde ik een onverklaarbare angst in mijn buik. Ik keek naar de serveerster, maar zij had de ogen al afgewend, haar blik strak gericht op haar notitieblok, alsof ze dit helemaal niet zag. De andere klanten in het café deden hetzelfde – ze negeerden het geheel.
Het voelde niet juist. Was ik gek geworden? Was dit het resultaat van de vermoeidheid, het verdriet, de eindeloze zorgen? Maar nee. Ik was niet gek. Mijn ogen logen niet.
“Wat is er, Amy?” fluisterde ik zachtjes, mijn stem trilde. Ze bleef lachen, haar ogen stralend, terwijl ze haar handje uitstak naar de lege ruimte voor haar. En toen… de lucht om ons heen leek een beetje te veranderen. Het was subtiel, bijna onmerkbaar, maar het was er. De regen klopte zachter tegen het raam, alsof zelfs het weer stil bleef staan.
En toen voelde ik het. Een aanwezigheid. Iets dat me van binnenuit raakte, een onverklaarbare kracht die mijn hele lichaam deed beven. Het was alsof iemand mijn naam fluisterde, van ver, diep in mijn ziel.
“Kom, Sarah. Kom naar ons.”
De woorden waren niet uit de mond van Amy gekomen, maar ik voelde ze in mijn hart, alsof mijn dochter daar stond, naast me, haar hand op mijn schouder. “Ze is hier. Ze is veilig. Het is tijd om te rusten.”
De tranen kwamen, maar ik hikte ze terug. Het was alsof alles wat ik had doorgemaakt – alle pijn, alle verliezen – zich ineens samenvlocht in één enkele, verre herinnering aan een tijd waarin alles eenvoudiger was. De tijd toen Sarah en ik nog samen waren, toen ik haar vasthield, haar steun was, en nu was het Amy die ik vasthield, het kleine meisje dat haar moeder nooit had gekend………………..