Het licht in de keuken was zwak, bijna schaamtevol. Eén enkele kaars flikkerde op de houten tafel en wierp lange schaduwen over de muren. De geur van gesmolten was mengde zich met iets anders… iets bitters, scherps.
Op tafel lagen papieren. Veel papieren.
Niet zomaar rommel of oude rekeningen—dit waren dossiers. Netjes geordend. Met mijn naam erop.
Mijn adem stokte.
Ik bleef staan alsof mijn voeten aan de vloer waren vastgelijmd. Mijn hart bonsde zo hard dat ik bang was dat Marianne het zou horen, zelfs al stond ze met haar rug naar me toe.
Ze draaide zich langzaam om.
Geen schrik. Geen verrassing.
Alleen een kalme, beheerste blik—alsof ze me verwachtte.
“Je bent wakker,” zei ze zacht.
Mijn mond was droog. “Ik… ik kwam water halen.”
“Om twee uur ’s nachts?” Haar glimlach was dun, berekend. “Slecht slapen is vaak een teken dat iemand iets voelt aankomen.”
Ik slikte. Mijn ogen dwaalden opnieuw naar de tafel.
“Waarom… waarom liggen daar papieren over mij?”
Marianne zuchtte langzaam en ging zitten, alsof ze zich voorbereidde op een lange uitleg. Ze wees naar de stoel tegenover haar.
“Ga zitten, Clara. Als je toch wakker bent, kunnen we net zo goed eerlijk zijn.”
Elke vezel in mijn lichaam schreeuwde dat ik moest weglopen. Maar iets—nieuwsgierigheid, angst, of pure koppigheid—hield me daar.
Ik ging zitten.
Ze vouwde haar handen samen. “Ik heb altijd geloofd in voorbereiding. In controle. In weten wie je in huis haalt.”
“Dit is ziek,” fluisterde ik. “Je hebt me onderzocht?”
“Beschermd,” corrigeerde ze. “Mijn zoon beschermd.”
Ze schoof een map naar me toe. Binnenin: afdrukken van sociale media, oude foto’s, zelfs een kopie van mijn arbeidsovereenkomst. Notities in de kantlijn. Haar handschrift.
Ambitieus. Sterk karakter. Potentieel dominant.
Niet geschikt voor langdurige stabiliteit.
Mijn maag draaide zich om.
“Je denkt dat je kunt beslissen wie geschikt is voor Elliot?” zei ik, mijn stem trillend.
“Ik weet wie geschikt is,” zei ze koel. “En jij bent tijdelijk.”
Die woorden sneden dieper dan ik had verwacht.
“Je huwelijk is nog jong,” vervolgde ze. “Elf maanden. Geen kinderen. Geen onomkeerbare banden. Dat is… praktisch.”
“Wat ben je van plan?” vroeg ik.
Ze keek me recht aan. “Wat nodig is.”
Op dat moment hoorde ik voetstappen.
Elliot.
Hij stond in de deuropening, verward, slaperig—maar wakker genoeg om de spanning te voelen die als elektriciteit door de ruimte liep.
“Wat is hier aan de hand?” vroeg hij.
Marianne glimlachte onmiddellijk. Warm. Moederlijk. “Ga maar terug naar bed, lieverd. Clara en ik hadden een klein misverstand.”
Ik stond op. “Nee. Hij moet dit horen.”
Elliot keek van mij naar de tafel. Naar de mappen. Zijn wenkbrauwen trokken samen.
“Waarom liggen hier… dossiers?” vroeg hij langzaam.
Marianne’s glimlach bevroor een fractie van een seconde.
“Elliot,” begon ze, “je weet hoe bezorgd ik kan zijn—”
“Waarom ligt hier een dossier over mijn vrouw?” onderbrak hij haar.
De stilte die volgde was oorverdovend.
Ik zag iets verschuiven in zijn blik. Twijfel. Verwarring. En… teleurstelling.
“Ik wilde je alleen beschermen,” zei Marianne zachter. “Je maakt fouten als je verliefd bent.”
Elliot pakte een map op en bladerde erin. Zijn gezicht werd bleek……………..