Mijn maag draaide om.
— Dus… wat heb jij gedaan?
Hij keek weg. Dat was genoeg.
— Wat. Heb. Jij. Gedaan?
Zijn stem brak.
— Ik heb hem proberen te laten zwijgen. Alleen maar te laten zwijgen. Maar hij viel. Hij sloeg zijn hoofd. Het was niet gepland. Ik raakte in paniek.
Ik voelde mijn wereld scheuren.
— En het lichaam…?
Hij wees zwijgend naar de kofferbak.
— Ik kon het niet meteen wegbrengen. Ik… ik wist niet wat ik moest doen. En toen begon Iris dingen te zeggen. Dingen die niemand kon weten.
Ik draaide me om naar mijn dochter. Ze zat rustig in haar stoel, haar ogen groot, haar stem helder.
— Hij is boos, mama, zei ze. Maar niet op jou. Hij zegt dat jij niet wist wat papa deed.
Mijn adem stokte.
— Iris… wie zegt dat?
— Opa. Hij staat achter jou.
Ik voelde kippenvel over mijn armen trekken.
— Hij zegt dat je sterk moet zijn. En dat je de waarheid niet meer moet verstoppen.
Maël begon te huilen. Hard. Ongecontroleerd.
— Ik hoor hem ook soms, fluisterde hij. In mijn dromen. Hij zegt steeds hetzelfde.
— Wat dan? vroeg ik…………….