Histoire 13 2089 66

De kamer leek kleiner te worden.

“Ik werd jouw ‘grootmoeder’. En jouw biologische ouders — die mensen die jij kent uit foto’s — zij waren mijn ouders. Jouw grootouders.”

Ik liet de brief zakken.

De gezichten op de foto’s aan de muur kwamen terug. De man met de strenge ogen. De vrouw met de perfect gekapte haren. Mensen die mij sporadisch hadden bezocht. Afstandelijk. Beleefd. Koud.

Zij waren mijn ouders.

Zij waren gestorven in dat ongeluk.

Niet mama en papa.

Maar opa en oma.

Mijn handen begonnen te trillen.

“Toen zij stierven, wilde ik je alles vertellen. Maar je was zes. Je had al genoeg verloren. Ik kon het je niet nog eens afnemen.”

Ik dacht aan die nacht. Hoe zij mij vasthield. Hoe ze zei: “Ik ben hier. Ik ga nergens heen.”

“Ik heb mijn leven lang gespaard. Niet voor mezelf. Voor jou. Voor je toekomst. Voor het moment waarop jij vrij zou zijn.”

Ik dacht aan de auto die ik niet kreeg. Aan de kleren die ze repareerde. Aan hoe ze nooit klaagde.

“Er is iets wat je nu moet doen,” schreef ze.

“Ga naar de bank. Kluis nummer 317. De sleutel zit achter het derde kookboek, in de rode doos.”

Ik sprong op alsof ik werd voortgetrokken.

De sleutel lag daar. Precies waar ze zei.

De bankmedewerker keek verbaasd toen ik mijn naam noemde. Nog verbaasder toen hij de kluis opende.

Binnenin lag geen geld. Geen sieraden.

Maar documenten.

Geboorteakte.

Adoptiepapieren.

En een bankafschrift.

Het saldo maakte me duizelig.

Ze had genoeg gespaard om mijn studie volledig te betalen. Om een huis te kopen. Om nooit afhankelijk te zijn van iemand.

En helemaal onderop lag nog één brief.

“Ik loog niet omdat ik je niet vertrouwde,” schreef ze…………..

Lees verder op de volgende pagina.

Laisser un commentaire